donderdag 6 september 2018

Hobbyvakantie

Niet geheel per toeval kwamen wij voor een korte vakantie in Dubrovnik terecht. Een prachtige stad in Kroatië waar we nog niet eerder waren geweest maar die zich wat mij betreft kan meten met de beste vakantiebestemmingen van Europa.
Dat zich binnen het ommuurde oude gedeelte van de stad een groot aantal lokaties bevinden waar Game of Thrones is opgenomen, daar kwamen we vlak voor vertrek achter. En wat is dan leuker om die dan ook daadwerkelijk te bezoeken?

Enig speurwerk leerde ons dat er talloze GOT-walking tours zijn, maar die waren peperduur en we gaven ons geld liever uit in een van de vele uitstekende restaurants.
Een plattegrond met filmlokaties was snel gemaakt en omdat het oude centrum niet erg groot is, en ondanks de grote toestroom aan toeristen goed te belopen, hadden we binnen een paar uurtjes vrijwel alle plekken bezocht waar de opnamen van de populaire HBO serie hadden plaatsgevonden.
Ook hadden we een klein kapitaal aan GOT-souvenirs uitgegeven in een van de officiële GOT-souvenirwinkels.  En niet alleen wij, maar talloze andere GOT-fans spendeerden hun laatste Kuna’s aan T-Shirts, mokken, sleutelhangers, poppen en drakeneieren.
Een speciale Shame-cocktail die geserveerd wordt bij de trappen waar de Walk of Shame-scène werd opgenomen, hebben wij helaas over het hoofd gezien.
Ik heb zelfs plaatsgenomen op een replica van de Iron Throne, maar het bewijs hiervan (Photo of Shame) mag ik van mijn familie  niet naar buiten brengen.

Dat cultuur een stad op de kaart kan zetten lijkt me weer eens bewezen. Dat een stad als Dubrovnik vanwege Game of Thrones een flinke economische stimulans heeft gekregen, valt niet te ontkennen.
Behalve dan door types als Eric Wiebes. Eric ziet er niet naar uit dat hij zijn eerste erotische ervaring - zoals vele anderen - heeft opgedaan bij een gesubsidieerde film als Flodder.
Eric kijkt met boekhoud-ogen naar kunst. Cultuur is voor hem een hobby en kunst moet zichzelf financieel kunnen bedruipen. Dat laatste lukt aardig in Dubrovnik. Zo goed zelfs dat het stadsbestuur maatregelen heeft aangekondigd de stroom toeristen - soms meer dan tienduizend per dag - te gaan beperken.

Dat Amsterdam inmiddels hetzelfde probleem heeft, ligt ongetwijfeld aan mijn eigen hobby-film Amsterdamned. Tochten met een gids langs de lokaties zijn op YouTube te vinden en worden aangeprezen op toeristensites.
Het enige dat mist is een officiële Amsterdamned-souvenirwinkel. Die moet er wel komen. Al was het alleen maar om Eric Wiebes als uitbater een onbezorgde oude dag te gunnen. En dan leert ie meteen wat meer over de waarde van cultuur.


= = = =



 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 5 september 2018


Meer interessante informatie over het wel en wee van de Nederlandse film lezen? 
Meer anekdotes en tips en trucs over het maken van film in Nederland?
Lees het in:
'Buurman, wat doet u nu?'
Het onmisbare boek voor iedereen die van film houdt.
Hier verkrijgbaar:  
https://parachute.vrijeboeken.com/book/9789082070422-buurman-wat-doet-u-nu.html

donderdag 23 augustus 2018

Veelgestelde vragen


Ik heb een idee voor een film. Kunnen we een keer koffie gaan drinken?
Dat lijkt me geen goed idee. Werk het idee eerst even uit tot een scenario en regel de financiering. Dan praten we verder. Ideeën, daar is geen gebrek aan. In tegenstelling tot geld.

Waarom worden er in Nederland zoveel romcoms gemaakt?
Romcoms zijn naar verhouding goedkoop te maken. En als je ze vol met bekende Nederlanders stopt, dan is de kans groot dat er publiek naartoe gaat.

Is het nog leuk om in Nederland films te maken?
Films maken op zich is heel leuk. Films maken in Nederland steeds minder. Grootste probleem is de financiering. Films boven de twee miljoen zijn vrijwel niet op een normale manier te financieren. En over de bureaucratische (administratieve) rompslomp en de verregaande inhoudelijke bemoeienis zullen we het maar niet hebben.

Wat is de belangrijkste les die je als filmmaker geleerd hebt? Wat raad je beginnende filmmakers aan?
Houd altijd vast aan je oorspronkelijke idee. Verander alleen iets als je er volledig achter staat en niet omdat het een eis is van een of andere geldschieter. Je kan beter afgerekend worden op je eigen fouten dan op die van iemand anders.

Hoeveel verdien je als speelfilmregisseur?
De Europese norm is dat een regisseur vijf procent van het budget ontvangt. Op een film met een budget van twee miljoen zou hij dus honderdduizend euro verdienen. Maar er zijn maar weinig Nederlandse regisseurs die dat krijgen.

Heeft iemand 5 miljoen over zodat ik een film kan maken?
Vraag van mijzelf. Al vaak gesteld, maar niemand heeft nog gereageerd.

Zijn filmprijzen belangrijk?
Heel erg belangrijk voor degene die ze uitdeelt. Geeft bestaansrecht aan het festival. En hadden we ooit van Cannes gehoord als ze niet een filmfestival hadden?

Trek je je wel eens iets aan van recensies?
Ik geniet van slechte recensies van films van collega’s. (Oeps, wat zeg ik nu?)

Waarom zien we altijd dezelfde acteurs in Nederlandse films?
Betere vraag is tegenwoordig: Waarom zien we steeds dezelfde Nederlandse films?

Wie is de Mol?
Twee antwoorden mogelijk.
John de Mol, mediamagnaat of Tom de Mol, Nederlands producent van voornamelijk Sinterklaasfilms.

Hoe zie jij de toekomst van de Nederlandse film?
Zolang regisseurs en scenarioschrijvers niet de middelen krijgen hun originele ideeën uit te ontwikkelen en vorm te geven; als de inhoudelijke bemoeienis van beslissers bij de fondsen niet tot een minimum wordt teruggebracht; wanneer er niet ingezet wordt op makers, zolang zal de Nederlandse film een marginaal bestaan blijven leiden.

‘Do you know where the Flower Market is?’
Dat zou je wel willen weten hè, vuile stinktoerist? Sure, next street on your left.
‘Thank you.’
You’re welcome.

= = = =


 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 22 augustus 2018


Meer interessante informatie over het wel en wee van de Nederlandse film lezen? 
Meer anekdotes en tips en trucs over het maken van film in Nederland?
Lees het in:
'Buurman, wat doet u nu?'
Het onmisbare boek voor iedereen die van film houdt.
Hier verkrijgbaar:  
https://parachute.vrijeboeken.com/book/9789082070422-buurman-wat-doet-u-nu.html

donderdag 9 augustus 2018

John

Goed nasynchroniseren is een kunst op zich. Daar kan Barry Atsma van meepraten.
Toen mijn eerste speelfilm De Lift wereldwijd aan Warner verkocht was, moest hij ook worden nagesynchroniseerd in het Engels en Frans.
Dat gebeurde in een geluidsstudio in Parijs. De regisseur die de supervisie had over de nasynchronisatie - laten we hem John noemen - kwam uit Engeland en bleek ook nog acteur te zijn. Hij had nog een kleine rol in de James Bond-film Moonraker gespeeld, maar was in Parijs neergestreken niet alleen omdat de verdiensten aldaar een stuk beter waren maar vooral vanwege het erotisch vertier.
Toen hij me na de eerste kennismaking naar mijn hotel in een obscure buitenwijk van Parijs bracht, wist hij meteen de hoeren tussen de hotelgasten in de hal te spotten en knoopte er een praatje mee aan. Of ik interesse had. Niet meteen op de eerste dag, besloot ik. Later heb ik daar nog spijt van gehad, want op de tweede dag waren ze nergens meer te bekennen.
Lang bleef ik trouwens niet in het eerste hotel, want de eigenaar van de studio, Jacques De Lane Lea - jawel, de eigenaar van de befaamde De Lane Lea Studio’s in Londen, waar de Rolling Stones en andere beroemde artiesten nog hadden opgenomen - had besloten dat ik naar een sjieker hotel, ik meen de George V, moest verkassen. Mede omdat ik dan zijn zoontje op vrije momenten mee naar de bioscoop kon nemen.
De George V lag ook vlakbij het appartement waar John woonde. Hij nodigde me bij hem thuis uit. Een uitnodiging die ik graag aannam omdat ik weleens wilde zien hoe een succesvol regisseur van nasynchronisaties in Parijs woonde.
Dat viel tegen. Ik kwam terecht in een armoedig zolderkamertje van drie bij vier waar een sterke waslucht hing. Misschien viel er toch minder met nasynchroniseren te verdienen dan ik dacht. Naast het bed was er nauwelijks plek om te zitten, dus nam ik zijn voorstel  om ergens een hapje te gaan eten graag aan.
Dat het restaurant recht tegenover een bordeel was gelegen en de klanten door de dames soms met brute kracht naar binnen werden geloodst, kwam mijn eetlust niet geheel ten goede. Een voorbijganger die in eerste instantie heel andere plannen had, werd staande gehouden door een wat oudere hoer met een rossige pruik en kreeg iets in zijn oor gefluisterd. Meteen verdween hij met haar naar binnen. Dat hij na vijf minuten weer op straat stond leek zijn humeur niet in de weg te staan.
John bracht me dit keer niet terug naar mijn hotel. Hij moest nog wat afwerken.
Van de donkere dagen in de nasynchronisatiestudio kan ik me weinig meer herinneren. John denk ik ook niet.
Ik had graag geweten wat de rossige hoer haar klant op straat had ingefluisterd. Op zo’n moment mis je dan echt de ondertitels.

Disclaimer:
Ten behoeve van de literaire impact zijn sommige feiten aangedikt en stroken andere niet met de werkelijkheid.

= = = =


 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 8 augustus 2018


Meer interessante informatie over het wel en wee van de Nederlandse film lezen? 
Meer anekdotes en tips en trucs over het maken van film in Nederland?
Lees het in:
'Buurman, wat doet u nu?'
Het onmisbare boek voor iedereen die van film houdt.
Hier verkrijgbaar:  
https://parachute.vrijeboeken.com/book/9789082070422-buurman-wat-doet-u-nu.html
 

donderdag 26 juli 2018

Marktaandeel

Het marktaandeel van de Nederlandse film is het eerste halfjaar van 2018 gezakt naar 8.2 procent. In 2014 was dat nog 20 procent.
Is dat erg? Nee, dat is helemaal niet erg. Het betekent alleen maar dat er minder bezoekers naar Nederlandse films gaan. Kennelijk zijn er niet genoeg goede Nederlandse films in de bioscoop. Of laat ik dat nuanceren - niemand weet tenslotte wat een ‘goede’ film is - er zijn minder Nederlandse films waar publiek naar toe wil.
Is dat erg? Nee, ook dat is niet erg, wel jammer.

Het rare is, we horen nooit iets over het marktaandeel van boeken van Nederlandse schrijvers of kunstwerken van Nederlandse kunstenaars.
Ik lees nooit onheilspellende berichten dat het marktaandeel van Nederlandse boeken gezakt is of dat Nederlandse kunstschilders moeten worden bijgeschoold op speciaal op te richten instituten. Of dat er coaches worden toegewezen aan schrijvers om hun boeken naar een hoger plan te brengen, zoals nu bij film een normale zaak lijkt te gaan worden.

Bij sommige subsidiegevers en beleidsmakers heerst nog steeds de opvatting dat we filmmakers wel degelijk kunnen en moeten opleiden en bijscholen. Alsof het vergroten van het marktaandeel of aanwezigheid op prestigieuze festivals een doel op zich is.
In hun ogen kan je ‘goede’ films afdwingen. En ‘goede’ films zorgen voor volle zalen. Er zijn zelfs collega filmmakers die er ook zo over denken.

Dat een intendant van het filmfonds destijds - in een wanhopige poging het bezoek naar Nederlandse films te vergroten - het lumineuze idee had om remakes van succesvolle films uit het buitenland te stimuleren, heeft ook niet een echt positief effect gehad op de Nederlandse filmcultuur en de naweeën zijn nog steeds merkbaar.

- Het huidige peil van de vaderlandse cinema is niet een afspiegeling van de kwaliteit van Nederlandse filmmakers, maar van de kwaliteit van het Nederlandse filmbeleid. -

En bij díe kwaliteit mogen we best eens een vraagteken zetten.
Goed filmbeleid begint met makers de kans en de vrijheid te geven de films te maken die ze willen maken. En worden dat dan films waar niemand op zit te wachten, dan is dat maar zo. En laten we eens ophouden met dat uitschrijven van prijsvragen en het afdwingen van films met een ‘maatschappelijke urgentie’.

Nu ikzelf voorlopig het marktaandeel van de Nederlandse film niet meer kan verhogen, moet ik dat van het Parool maar eens zien te vergroten. Maar ook als dat niet gebeurt is dat niet erg. Ik schrijf tenslotte de columns die ik wil schrijven. En zelfs zonder coach lukt dat prima.


= = = =



 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 25 juli 2018


Meer interessante informatie over het wel en wee van de Nederlandse film lezen? 
Meer anekdotes en tips en trucs over het maken van film in Nederland?
Lees het in:
'Buurman, wat doet u nu?'
Het onmisbare boek voor iedereen die van film houdt.
Hier verkrijgbaar:  
https://parachute.vrijeboeken.com/book/9789082070422-buurman-wat-doet-u-nu.html

donderdag 12 juli 2018

De nichtjes van Robbert

De nichtjes van Robbert zagen er altijd leuk uit. En er waren er zoveel. Op elke premiere weer andere. Het duurde even voordat het kwartje viel. Ik was nogal naïef in die tijd.
Robbert Wijsmuller hield niet alleen van mooie vrouwen, maar ook van lekkere drank. Bij de lunch op zijn kantoor aan het Lange Voorhout in Den Haag stond steevast de Beaujolais al klaar. En buiten drank en vrouwen hield hij van film.
Het door hem in 1972 opgerichte Concorde Film was in de tachtiger jaren uitgegroeid tot het grootste onafhankelijke filmdistributiebedrijf van Nederland.
Dat ik Robbert mocht kwam niet alleen vanwege het feit dat hij acht en een halve ton (guldens) in de eerste Flodder film had gestopt. Geld dat er later voor hem dubbel en dwars uitkwam want het zou ook zijn grootste hit worden. Robbert kwam altijd goed gehumeurd over en ondanks zijn enigszins ballerige voorkomen had hij gevoel voor humor.
Hij wist ook hoe je films moest uitbrengen, daar werd niet op bezuinigd. Hij begreep als geen ander hoe je films onder de aandacht van het publiek moest brengen.

Het waren andere tijden. Bioscopen hielden slechts 40% van de recette in, en de btw op een kaartje was 17,5 %. Mede dankzij de inspanningen van Robbert werd in 1996 het btw tarief verlaagd naar 6%.
Tegenwoordig houden bioscoopexploitanten 61% in op de recette en dankzij het nog steeds lage btw tarief van 6% zijn zij inmiddels de best verdienende schakel in de keten.
Dit in tegenstelling tot de filmdistributeurs die - naar eigen zeggen - in zwaar weer zitten en aan de alarmbel trekken blijkens een vorige maand door hen uitgebracht rapport.
Daarin pleiten ze onder andere voor meer automatische regelingen en minder inhoudelijke bemoeienis vanuit het Filmfonds. Daar zijn we het natuurlijk allemaal mee eens. Maar dat distributeurs gunstiger afspraken zouden moeten maken met bioscoopexploitanten, daar lees ik niks over. Als er meer geld uit de keten naar distributeurs zou terugvloeien, dan zouden ze misschien net als Robbert weer eens acht en een halve ton als voorschot in een film kunnen steken.

Met Robbert is het helaas treurig afgelopen. In 1998 bezweek Concorde Film onder een schuldenlast van 20 miljoen gulden en in 2001 ging hij ook persoonlijk failliet.
Een van de laatste dingen die ik over hem hoorde, was dat hij in zijn auto sliep op een langs de weg gevonden matras. Niet lang daarna is hij overleden.
Dat distributeurs hun langste tijd hebben gehad - hun functie in de keten wordt overbodig; producenten kunnen rechtstreeks leveren aan eindexploitanten (bioscopen, kabelaars) - daar twijfelt niemand meer aan.
Misschien hadden ze een beetje meer lef en passie voor film moeten hebben, zoals Robbert. En natuurlijk meer nichtjes. Maar ook daar lees je in hun rapport niks over.



= = = =

 

 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 11 juli 2018

donderdag 28 juni 2018

Gerard, Willem en Máxima

Vrijwel elke dag is het raak. Een uitnodiging voor een braderie, een verzoek om een interview voor een schoolkrant of om mee te werken aan een werkstuk, of er worden foto’s opgestuurd met de vraag of ik die kan signeren en in de bijgevoegde gefrankeerde brief terug kan sturen.
Ook worden me ongevraagd boeken, scenario’s en - nog veel vaker - onaffe ideetjes toegestuurd met de mededeling dat ik daar wel een leuke film van kan maken.
En dan zijn er al die mensen die vinden dat ze een heel interessant leven geleid hebben; zó interessant dat het wel een film waard is.

Ik weet niet hoe mijn collega’s dat doen, maar ik reageer daar vrijwel nooit op. Ik heb er domweg geen tijd voor, en daar voel ik me best weleens schuldig over.
Het liefst zou ik iedereen uitgebreid willen antwoorden en haarfijn uitleggen waarom ik weinig in hun idee zie, of waarom ik denk dat het niet levensvatbaar is, of waarom het domweg niets voor mij is. Kreeg ik tenslotte ook niet een keurig antwoord van de Avro toen ik als twaalfjarige een aantal sketches voor De Mounties - een beroemd komisch duo in die dagen - naar hen toe had gestuurd? Maar ja, die hadden natuurlijk een hele afdeling die brieven van kijkers en luisteraars beantwoordde en gesigneerde foto’s rondstuurde. Ik heb zelfs geen secretaresse.

Sommige uitnodigingen zijn een reactie waard. Zoals die van Willem en Máxima. Of ik interesse had om een lunch met hen bij te wonen. De aanleiding weet ik niet meer precies. Misschien draaide er een film van mij op een prestigieus festival, of had ik een goed bezochte film in de bioscoop.
Ik heb het niet zo op dit soort verplichte nummers.
Ik heb ze beleefd afgewimpeld en uitgenodigd om een keer bij mij thuis op de thee te komen als ze toevallig in het Paleis op de Dam zijn. Ik woon daar tenslotte om de hoek. Tot op heden zijn ze nog niet op de uitnodiging ingegaan.

Begin jaren tachtig was er een opdringerige ober in een hotel in Schagen. We verbleven er met een filmploeg omdat we in het nabijgelegen Nieuwesluis mijn eerste lange speelfilm, Rigor Mortis, aan het opnemen waren.
De ober vertelde ons dat hij zong en ook graag wilde doorbreken in de showbizz; of wij nog wat tips hadden. Ik ben bang dat we hem erg goede tips hebben gegeven want Gerard Joling is niet meer van de buis te slaan.
Gerard heeft zelfs nog een rolletje in een van mijn films gehad. Willem en Máxima nog niet. Die moeten eerst maar eens op de thee komen.


= = = =
 
 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 27 juni 2018

donderdag 14 juni 2018

Dure dwerg

Harry: ‘Marinus, Harry hier. Waar zit je?’
Marinus: ‘Ben aan het casten. Had ik je gezegd.’
Harry: ‘Oh, was dat vandaag? Je weet wat we hebben afgesproken?’
Marinus: ‘Maak je geen zorgen. We zijn met z’n tweeën. En die naaktmodellen casten we pas volgende week.’
Harry: ‘Ah, heel goed. Maar dat bedoel ik niet. Wat voor mensen cast je? Hou een beetje rekening met de diversiteit quota?’
Marinus: ‘De wat?’
Harry: ‘We moeten wel aan de 20 punten toekomen anders krijgen we problemen.’
Marinus: ‘Ik begrijp je even niet.’
Harry: ‘Die politie inspecteur was toch iemand met een donkere huidskleur?’
Marinus: ‘Klopt. Die gaat als eerste dood. Ik heb daar al een hele goede neger voor.’
Harry: ‘Donkere man, noemen we dat, Marinus. Die zijn 5 punten.’
Marinus: ‘Je bedoelt dat ik nog voor 15 punten aan minderheden moet casten?’
Harry: ‘Dat eist de Code Culturele Diversiteit nu eenmaal. We hebben al twee vrouwen en een homo in de belangrijke bijrollen, dat zijn bij elkaar 8 punten. Dus nog 7 punten erbij, anders moet ik het allemaal weer gaan uitleggen aan de fondsen.
Marinus: ‘Maar je kiest toch geen acteurs vanwege hun huidskleur, of dat ze homofiel zijn. Ik wil de beste acteur voor de rol.’
Harry: ‘Hoho, in die vorige film wou je persé een Marokkaan. En die kon zijn tekst niet eens onthouden.’
Marinus: ‘Ja hèhè, dat was een zakkenroller en dat ‘Ik ga je steken’, lukte best na een paar takes.’
Harry: ‘Die rol van burgemeester staat toch nog open?’
Marinus: ‘Ken jij donkere burgemeesters? Ik niet.’
Harry: ‘Het mag ook een dwerg zijn.’
Marinus: ‘Een dwerg?’
Harry: ‘Eén dwerg is evenveel punten als twee negers, ik bedoel mensen met een donkere huidskleur.’
Marinus: ‘Maar er is maar één acterende dwerg in Nederland en die heeft z’n dagprijs net verviervoudigd.’
Harry: ‘Tsja, die dwergen zijn ook niet dom.’
Marinus: ‘Als ik van die homofiele groenteman nou een invalide maak, ben ik er dan al?’
Harry: ‘Als je hem een zware bril opzet, minstens min vijf, dan komen we een eind.  Maar, ik bedenk me opeens iets. Jij vertelde me een tijdje terug toch over dat probleem van jou?’
Marinus: ‘Probleem?’
Harry: ‘Ja, dat je je niet zo lekker voelde in je lichaam…’
Marinus: ‘Oh, dat ik me al jaren een vrouw voel in een mannenlichaam.’
Harry: ‘Ja, precies.’
Marinus: ‘Ben vorige week begonnen met mijn hormonenkuur en de operatie staat na de zomervakantie gepland.’
Harry: ‘Nou kijk. Waar hebben we het dan over? Een regisseur met een genderprobleem… Dan zitten we al ruim over de 20. Dus vergeet al die homofielen, dwergen en invaliden. Probleem opgelost. Dank je Marinus, of mag ik al zeggen Marina?’


= = = =
 
 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 13 juni 2018

donderdag 31 mei 2018

Leentjebuur

Plagiaat, altijd lastig. Wanneer wel, wanneer niet, wanneer een beetje? Elk liedje is al eens gemaakt en elk verhaal al eens verteld. Wat overblijft zijn variaties op bekende melodieën en thema’s.

Tien jaar geleden heb ik een comedyserie over een luchtvaartmaatschappij gepitcht bij Fox Television in Amerika. Dat Fox dit jaar met de serie LA to Vegas komt, een serie die verdacht veel weg heeft - zeker qua setting - van mijn serie Achter de Wolken, kan natuurlijk toeval zijn. Misschien ook niet, maar plagiaat is dan een te groot woord.

Dat Guillermo Del Toro met The Shape Of Water onder vuur lag kwam niet onverwacht. Wie de korte film The Space Between Us van de Nederlandse Filmacademie heeft gezien, moet toegeven dat de overeenkomsten wel erg groot zijn.
Dat de Filmacademie na een gesprek tussen de makers en Del Toro met een verklaring kwam die elke overeenkomst tussen de twee films als louter toeval afdoet, maar die gezien zijn juridische toon gedicteerd lijkt door de advocaten van Del Toro, maakt het nog verdachter.
Maar Del Toro zat natuurlijk in een spagaat. Toegeven dat hij of een van zijn medewerkers op de hoogte was van de Nederlandse film zou natuurlijk een grote schadeclaim en prestigeverlies opleveren. Hij had geen keus en moest wel ontkennen.
Op de premiere van Sint werd ik tijdens een televisie interview met, ik meen, RTL-Boulevard geconfronteerd met een interviewer die ijverig allerlei stills uit oude horrorfilms had laten uitprinten. De boodschap was duidelijk: ik zou met Sint alleen maar leentjebuur bij andere films hebben gespeeld en alles bij elkaar gejat hebben. En hij zou me voor een miljoenenpubliek op televisie even ontmaskeren.
Nou is het vooral in genrefilms erg moeilijk om volstrekt origineel te blijven - hoeveel haunted house films zijn er wel niet? - maar op die manier kan je elke film in het verdachtenbankje schuiven.

Leen ik zelf nooit van anderen? Natuurlijk wel.
Dat ik de structuur van Jaws gebruikt heb voor De Lift, daar ben ik nooit geheimzinnig over geweest.
Dat de speedbootachtervolging in Amsterdamned erg veel lijkt op die in Puppet On A Chain is ook waar, alhoewel ik ooit in mijn jeugd alleen maar een fragment daarvan op televisie gezien had. En bovendien noemen we dat een hommage.
Flodder heeft wel erg veel weg van The Beverly Hillbillies, een tv-serie uit de jaren zestig.
Bij het schrijven heb ik daar nooit aan gedacht, maar het zat natuurlijk wel ergens onbewust in mijn achterhoofd.
En intussen is Flodder ook al weer gekopieerd zonder mij iets te vragen. In Zuid Amerika (Los Reyes, Los Roldan, Los Sanchez), Frankrijk (Les Tuche) en Italië (Poveri ma Ricchi).
Plagiaat? Natuurlijk, maar laten we het maar als een compliment beschouwen.



= = = =
 
 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 30 mei 2018

donderdag 17 mei 2018

Jubelberichten

Wat verdienen regisseurs? Wat verdienen scenaristen?
Wie verdient er aan een bioscoopfilm?

Toen ik jaren geleden voor mijn film Moordwijven op zoek was naar een groot plezierjacht, kwam ik terecht bij een van de grootste jachten in Europa, en hij was ook nog eens afgemeerd in een Nederlandse haven.
Ik parkeerde naast een Maybach - een wagen van rond de half miljoen - en kreeg een rondleiding van de booteigenaar, een bioscoopexploitant. De Maybach was ook van hem.
Het bevestigde mijn vermoeden dat bioscoopexploitanten de meest vermogende schakels in de distributieketen zijn. Ik ken alleen maar welgestelde exploitanten.
Distributeurs zijn een goede tweede. Ik ken er een die er een verzameling Rolls-Royces op na houdt.
Producenten hebben het al een stuk minder makkelijk, om maar helemaal te zwijgen over regisseurs en scenaristen. Die zitten helemaal onderaan de voedselketen.

Niemand maakt me wijs dat exploitanten het zo slecht hebben. Toch dragen ze dat met verve uit en wisten onlangs een btw-convenant te bewerkstelligen waarin werd afgesproken dat ze geen 21 procent maar slechts 6 procent btw hoefden te betalen over een bioscoopkaartje.
Dat levert hen een voordeeltje van 30 miljoen op. Vijf daarvan worden in een pot (het Abraham Tuschinski Fonds) gestopt en toegewezen aan Nederlandse filmprojecten. De rest verdwijnt voor een groot deel in de zakken van de - meest buitenlandse - aandeelhouders van de bioscoopconcerns.
Het convenant - dat verdacht geruisloos in april werd gesloten - is geheel zonder inbreng van makers tot stand gekomen.
Ik denk dat die veel liever hadden gezien dat de btw weer naar 21 procent was gegaan. En dat de 30 miljoen die dan in de schatkist komt, direct bij regisseurs en scenarioschrijvers terecht komt zodat die tenminste weer eens wat films kunnen maken.

Niet alleen door het btw-convenant, maar ook via de - door het Filmfonds zelf bejubelde ‘Film Production Incentive’-regeling verdwijnen er miljoenen - via films als Dunkirk en The Hitman’s Bodyguard - naar het buitenland. Miljoenen die we ook niet meer terugzien.
De enigen die hiervan profiteren zijn de Nederlandse co-producenten die ingeschakeld worden om het geld binnen te harken en facilitaire bedrijven, hotels, en wat crew in assisterende functies.
Het zijn eigenlijk economische maatregelen die weinig helpen om de Nederlandse filmcultuur naar een hoger plan te brengen.
Nederlandse regisseurs en scenaristen hebben er al helemaal geen voordeel van.

In tegenstelling tot alle jubelberichten die het Filmfonds de laatste tijd naar buiten brengt over de Nederlandse filmsituatie, lijkt er mij weinig reden om te juichen.
Dat in 2016 het gemiddelde filmbudget van een Nederlandse speelfilm het laagst van Europa was, lijkt me eerder een nieuwsfeit om in de media ruim onder de aandacht te brengen.


= = = =
 
 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 16 mei 2018

donderdag 3 mei 2018

Mister Lul M’n Reet

‘What’s your name?’
‘Huub Stapel.’
‘Say it again?’
‘Huub Sta-pel.’
‘Staple? Never mind, we’ll change that.’

Huub en ik waren naar Cannes gekomen met een in allerijl ondertitelde kopie van De Lift.
De Amerikaanse producent Herman Cohen - bekend van I was a Teenage Werewolf - voorspelde Huub, na het zien van de film, een grote toekomst in Amerika, maar hij moest wel iets aan zijn naam doen. Die raad heeft Huub nooit opgevolgd. Over mijn naam hoorde ik hem niet. En van Herman Cohen hebben we verder ook niets gehoord.

De belangstelling voor De Lift was groot en toen de film dat weekend alle records in Nederland verbrak, werden er op de Marché in Cannes extra voorstellingen ingelast en ontstond er een bidding-war voor de wereldrechten die uiteindelijk door Warner Brothers gewonnen werd.
Het was ook meteen mijn laatste keer in Cannes.
Ik heb nooit begrepen wat de aantrekkingskracht van het festival was. In de tijd dat de Franse film nog wat voorstelde kon het zich nog enig prestige aanmeten, maar meer dan een jaarlijkse markt en ontmoetingsplaats om wat te netwerken en een welkom excuus voor buitenlandse filmmakers, sterren en aanverwanten om in het zonnetje te worden gezet is het tegenwoordig niet meer.
En mocht je film onverhoopt uitverkoren worden door de tamelijk chauvinistische organisatie voor een van de hoofd- of bijprogramma’s dan is het nog de vraag of je daar blij mee moet zijn.  Zelfs als Gouden Palm winnaar heb je geen zekerheid dat je naam goed geschreven wordt of zelfs langer dan voor de duur van het festival onthouden wordt.

Dat Amerikanen moeite hadden met mijn naam heb ik regelmatig gemerkt.
Sommigen stonden er op mij Richard te noemen. Ze keken dan altijd wat besmuikt als ik ze erop wees dat mijn naam Dick was, en dus graag zo genoemd wilde worden.
Mijn achternaam was ook vaak een dingetje. Die werd geregeld geschreven als Mass. Maar ja, dat krijg je met Amerikanen die denken dat ik een regisseur uit Denemarken ben.
Menigeen dacht dat mijn naam een pseudoniem was van een porno regisseur.
Dat mijn film Down in Amerika onder de titel The Shaft werd uitgebracht, hielp natuurlijk ook niet echt.
Het probleem met mijn voornaam begreep ik wel, maar dat mijn achternaam bepaalde liederlijke associaties opriep, daar kwam ik pas jaren later achter.
Inderdaad is Dick in Amerika een ander woord voor lul. En Maas kan een verbastering zijn van My Ass. Dus met een beetje slechte wil kan je mijn naam lezen als Lul m’n Reet.

En met zo’n naam kom je natuurlijk nooit in het hoofdprogramma van Cannes.

= = = =

 

 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 2 mei 2018
onder de titel 'Moeilijke naam'