donderdag 26 juli 2018

Marktaandeel

Het marktaandeel van de Nederlandse film is het eerste halfjaar van 2018 gezakt naar 8.2 procent. In 2014 was dat nog 20 procent.
Is dat erg? Nee, dat is helemaal niet erg. Het betekent alleen maar dat er minder bezoekers naar Nederlandse films gaan. Kennelijk zijn er niet genoeg goede Nederlandse films in de bioscoop. Of laat ik dat nuanceren - niemand weet tenslotte wat een ‘goede’ film is - er zijn minder Nederlandse films waar publiek naar toe wil.
Is dat erg? Nee, ook dat is niet erg, wel jammer.

Het rare is, we horen nooit iets over het marktaandeel van boeken van Nederlandse schrijvers of kunstwerken van Nederlandse kunstenaars.
Ik lees nooit onheilspellende berichten dat het marktaandeel van Nederlandse boeken gezakt is of dat Nederlandse kunstschilders moeten worden bijgeschoold op speciaal op te richten instituten. Of dat er coaches worden toegewezen aan schrijvers om hun boeken naar een hoger plan te brengen, zoals nu bij film een normale zaak lijkt te gaan worden.

Bij sommige subsidiegevers en beleidsmakers heerst nog steeds de opvatting dat we filmmakers wel degelijk kunnen en moeten opleiden en bijscholen. Alsof het vergroten van het marktaandeel of aanwezigheid op prestigieuze festivals een doel op zich is.
In hun ogen kan je ‘goede’ films afdwingen. En ‘goede’ films zorgen voor volle zalen. Er zijn zelfs collega filmmakers die er ook zo over denken.

Dat een intendant van het filmfonds destijds - in een wanhopige poging het bezoek naar Nederlandse films te vergroten - het lumineuze idee had om remakes van succesvolle films uit het buitenland te stimuleren, heeft ook niet een echt positief effect gehad op de Nederlandse filmcultuur en de naweeën zijn nog steeds merkbaar.

- Het huidige peil van de vaderlandse cinema is niet een afspiegeling van de kwaliteit van Nederlandse filmmakers, maar van de kwaliteit van het Nederlandse filmbeleid. -

En bij díe kwaliteit mogen we best eens een vraagteken zetten.
Goed filmbeleid begint met makers de kans en de vrijheid te geven de films te maken die ze willen maken. En worden dat dan films waar niemand op zit te wachten, dan is dat maar zo. En laten we eens ophouden met dat uitschrijven van prijsvragen en het afdwingen van films met een ‘maatschappelijke urgentie’.

Nu ikzelf voorlopig het marktaandeel van de Nederlandse film niet meer kan verhogen, moet ik dat van het Parool maar eens zien te vergroten. Maar ook als dat niet gebeurt is dat niet erg. Ik schrijf tenslotte de columns die ik wil schrijven. En zelfs zonder coach lukt dat prima.


= = = =



 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 25 juli 2018


Meer interessante informatie over het wel en wee van de Nederlandse film lezen? 
Meer anekdotes en tips en trucs over het maken van film in Nederland?
Lees het in:
'Buurman, wat doet u nu?'
Het onmisbare boek voor iedereen die van film houdt.
Hier verkrijgbaar:  
https://parachute.vrijeboeken.com/book/9789082070422-buurman-wat-doet-u-nu.html

donderdag 12 juli 2018

De nichtjes van Robbert

De nichtjes van Robbert zagen er altijd leuk uit. En er waren er zoveel. Op elke premiere weer andere. Het duurde even voordat het kwartje viel. Ik was nogal naïef in die tijd.
Robbert Wijsmuller hield niet alleen van mooie vrouwen, maar ook van lekkere drank. Bij de lunch op zijn kantoor aan het Lange Voorhout in Den Haag stond steevast de Beaujolais al klaar. En buiten drank en vrouwen hield hij van film.
Het door hem in 1972 opgerichte Concorde Film was in de tachtiger jaren uitgegroeid tot het grootste onafhankelijke filmdistributiebedrijf van Nederland.
Dat ik Robbert mocht kwam niet alleen vanwege het feit dat hij acht en een halve ton (guldens) in de eerste Flodder film had gestopt. Geld dat er later voor hem dubbel en dwars uitkwam want het zou ook zijn grootste hit worden. Robbert kwam altijd goed gehumeurd over en ondanks zijn enigszins ballerige voorkomen had hij gevoel voor humor.
Hij wist ook hoe je films moest uitbrengen, daar werd niet op bezuinigd. Hij begreep als geen ander hoe je films onder de aandacht van het publiek moest brengen.

Het waren andere tijden. Bioscopen hielden slechts 40% van de recette in, en de btw op een kaartje was 17,5 %. Mede dankzij de inspanningen van Robbert werd in 1996 het btw tarief verlaagd naar 6%.
Tegenwoordig houden bioscoopexploitanten 61% in op de recette en dankzij het nog steeds lage btw tarief van 6% zijn zij inmiddels de best verdienende schakel in de keten.
Dit in tegenstelling tot de filmdistributeurs die - naar eigen zeggen - in zwaar weer zitten en aan de alarmbel trekken blijkens een vorige maand door hen uitgebracht rapport.
Daarin pleiten ze onder andere voor meer automatische regelingen en minder inhoudelijke bemoeienis vanuit het Filmfonds. Daar zijn we het natuurlijk allemaal mee eens. Maar dat distributeurs gunstiger afspraken zouden moeten maken met bioscoopexploitanten, daar lees ik niks over. Als er meer geld uit de keten naar distributeurs zou terugvloeien, dan zouden ze misschien net als Robbert weer eens acht en een halve ton als voorschot in een film kunnen steken.

Met Robbert is het helaas treurig afgelopen. In 1998 bezweek Concorde Film onder een schuldenlast van 20 miljoen gulden en in 2001 ging hij ook persoonlijk failliet.
Een van de laatste dingen die ik over hem hoorde, was dat hij in zijn auto sliep op een langs de weg gevonden matras. Niet lang daarna is hij overleden.
Dat distributeurs hun langste tijd hebben gehad - hun functie in de keten wordt overbodig; producenten kunnen rechtstreeks leveren aan eindexploitanten (bioscopen, kabelaars) - daar twijfelt niemand meer aan.
Misschien hadden ze een beetje meer lef en passie voor film moeten hebben, zoals Robbert. En natuurlijk meer nichtjes. Maar ook daar lees je in hun rapport niks over.



= = = =

 

 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 11 juli 2018

donderdag 28 juni 2018

Gerard, Willem en Máxima

Vrijwel elke dag is het raak. Een uitnodiging voor een braderie, een verzoek om een interview voor een schoolkrant of om mee te werken aan een werkstuk, of er worden foto’s opgestuurd met de vraag of ik die kan signeren en in de bijgevoegde gefrankeerde brief terug kan sturen.
Ook worden me ongevraagd boeken, scenario’s en - nog veel vaker - onaffe ideetjes toegestuurd met de mededeling dat ik daar wel een leuke film van kan maken.
En dan zijn er al die mensen die vinden dat ze een heel interessant leven geleid hebben; zó interessant dat het wel een film waard is.

Ik weet niet hoe mijn collega’s dat doen, maar ik reageer daar vrijwel nooit op. Ik heb er domweg geen tijd voor, en daar voel ik me best weleens schuldig over.
Het liefst zou ik iedereen uitgebreid willen antwoorden en haarfijn uitleggen waarom ik weinig in hun idee zie, of waarom ik denk dat het niet levensvatbaar is, of waarom het domweg niets voor mij is. Kreeg ik tenslotte ook niet een keurig antwoord van de Avro toen ik als twaalfjarige een aantal sketches voor De Mounties - een beroemd komisch duo in die dagen - naar hen toe had gestuurd? Maar ja, die hadden natuurlijk een hele afdeling die brieven van kijkers en luisteraars beantwoordde en gesigneerde foto’s rondstuurde. Ik heb zelfs geen secretaresse.

Sommige uitnodigingen zijn een reactie waard. Zoals die van Willem en Máxima. Of ik interesse had om een lunch met hen bij te wonen. De aanleiding weet ik niet meer precies. Misschien draaide er een film van mij op een prestigieus festival, of had ik een goed bezochte film in de bioscoop.
Ik heb het niet zo op dit soort verplichte nummers.
Ik heb ze beleefd afgewimpeld en uitgenodigd om een keer bij mij thuis op de thee te komen als ze toevallig in het Paleis op de Dam zijn. Ik woon daar tenslotte om de hoek. Tot op heden zijn ze nog niet op de uitnodiging ingegaan.

Begin jaren tachtig was er een opdringerige ober in een hotel in Schagen. We verbleven er met een filmploeg omdat we in het nabijgelegen Nieuwesluis mijn eerste lange speelfilm, Rigor Mortis, aan het opnemen waren.
De ober vertelde ons dat hij zong en ook graag wilde doorbreken in de showbizz; of wij nog wat tips hadden. Ik ben bang dat we hem erg goede tips hebben gegeven want Gerard Joling is niet meer van de buis te slaan.
Gerard heeft zelfs nog een rolletje in een van mijn films gehad. Willem en Máxima nog niet. Die moeten eerst maar eens op de thee komen.


= = = =
 
 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 27 juni 2018

donderdag 14 juni 2018

Dure dwerg

Harry: ‘Marinus, Harry hier. Waar zit je?’
Marinus: ‘Ben aan het casten. Had ik je gezegd.’
Harry: ‘Oh, was dat vandaag? Je weet wat we hebben afgesproken?’
Marinus: ‘Maak je geen zorgen. We zijn met z’n tweeën. En die naaktmodellen casten we pas volgende week.’
Harry: ‘Ah, heel goed. Maar dat bedoel ik niet. Wat voor mensen cast je? Hou een beetje rekening met de diversiteit quota?’
Marinus: ‘De wat?’
Harry: ‘We moeten wel aan de 20 punten toekomen anders krijgen we problemen.’
Marinus: ‘Ik begrijp je even niet.’
Harry: ‘Die politie inspecteur was toch iemand met een donkere huidskleur?’
Marinus: ‘Klopt. Die gaat als eerste dood. Ik heb daar al een hele goede neger voor.’
Harry: ‘Donkere man, noemen we dat, Marinus. Die zijn 5 punten.’
Marinus: ‘Je bedoelt dat ik nog voor 15 punten aan minderheden moet casten?’
Harry: ‘Dat eist de Code Culturele Diversiteit nu eenmaal. We hebben al twee vrouwen en een homo in de belangrijke bijrollen, dat zijn bij elkaar 8 punten. Dus nog 7 punten erbij, anders moet ik het allemaal weer gaan uitleggen aan de fondsen.
Marinus: ‘Maar je kiest toch geen acteurs vanwege hun huidskleur, of dat ze homofiel zijn. Ik wil de beste acteur voor de rol.’
Harry: ‘Hoho, in die vorige film wou je persé een Marokkaan. En die kon zijn tekst niet eens onthouden.’
Marinus: ‘Ja hèhè, dat was een zakkenroller en dat ‘Ik ga je steken’, lukte best na een paar takes.’
Harry: ‘Die rol van burgemeester staat toch nog open?’
Marinus: ‘Ken jij donkere burgemeesters? Ik niet.’
Harry: ‘Het mag ook een dwerg zijn.’
Marinus: ‘Een dwerg?’
Harry: ‘Eén dwerg is evenveel punten als twee negers, ik bedoel mensen met een donkere huidskleur.’
Marinus: ‘Maar er is maar één acterende dwerg in Nederland en die heeft z’n dagprijs net verviervoudigd.’
Harry: ‘Tsja, die dwergen zijn ook niet dom.’
Marinus: ‘Als ik van die homofiele groenteman nou een invalide maak, ben ik er dan al?’
Harry: ‘Als je hem een zware bril opzet, minstens min vijf, dan komen we een eind.  Maar, ik bedenk me opeens iets. Jij vertelde me een tijdje terug toch over dat probleem van jou?’
Marinus: ‘Probleem?’
Harry: ‘Ja, dat je je niet zo lekker voelde in je lichaam…’
Marinus: ‘Oh, dat ik me al jaren een vrouw voel in een mannenlichaam.’
Harry: ‘Ja, precies.’
Marinus: ‘Ben vorige week begonnen met mijn hormonenkuur en de operatie staat na de zomervakantie gepland.’
Harry: ‘Nou kijk. Waar hebben we het dan over? Een regisseur met een genderprobleem… Dan zitten we al ruim over de 20. Dus vergeet al die homofielen, dwergen en invaliden. Probleem opgelost. Dank je Marinus, of mag ik al zeggen Marina?’


= = = =
 
 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 13 juni 2018

donderdag 31 mei 2018

Leentjebuur

Plagiaat, altijd lastig. Wanneer wel, wanneer niet, wanneer een beetje? Elk liedje is al eens gemaakt en elk verhaal al eens verteld. Wat overblijft zijn variaties op bekende melodieën en thema’s.

Tien jaar geleden heb ik een comedyserie over een luchtvaartmaatschappij gepitcht bij Fox Television in Amerika. Dat Fox dit jaar met de serie LA to Vegas komt, een serie die verdacht veel weg heeft - zeker qua setting - van mijn serie Achter de Wolken, kan natuurlijk toeval zijn. Misschien ook niet, maar plagiaat is dan een te groot woord.

Dat Guillermo Del Toro met The Shape Of Water onder vuur lag kwam niet onverwacht. Wie de korte film The Space Between Us van de Nederlandse Filmacademie heeft gezien, moet toegeven dat de overeenkomsten wel erg groot zijn.
Dat de Filmacademie na een gesprek tussen de makers en Del Toro met een verklaring kwam die elke overeenkomst tussen de twee films als louter toeval afdoet, maar die gezien zijn juridische toon gedicteerd lijkt door de advocaten van Del Toro, maakt het nog verdachter.
Maar Del Toro zat natuurlijk in een spagaat. Toegeven dat hij of een van zijn medewerkers op de hoogte was van de Nederlandse film zou natuurlijk een grote schadeclaim en prestigeverlies opleveren. Hij had geen keus en moest wel ontkennen.
Op de premiere van Sint werd ik tijdens een televisie interview met, ik meen, RTL-Boulevard geconfronteerd met een interviewer die ijverig allerlei stills uit oude horrorfilms had laten uitprinten. De boodschap was duidelijk: ik zou met Sint alleen maar leentjebuur bij andere films hebben gespeeld en alles bij elkaar gejat hebben. En hij zou me voor een miljoenenpubliek op televisie even ontmaskeren.
Nou is het vooral in genrefilms erg moeilijk om volstrekt origineel te blijven - hoeveel haunted house films zijn er wel niet? - maar op die manier kan je elke film in het verdachtenbankje schuiven.

Leen ik zelf nooit van anderen? Natuurlijk wel.
Dat ik de structuur van Jaws gebruikt heb voor De Lift, daar ben ik nooit geheimzinnig over geweest.
Dat de speedbootachtervolging in Amsterdamned erg veel lijkt op die in Puppet On A Chain is ook waar, alhoewel ik ooit in mijn jeugd alleen maar een fragment daarvan op televisie gezien had. En bovendien noemen we dat een hommage.
Flodder heeft wel erg veel weg van The Beverly Hillbillies, een tv-serie uit de jaren zestig.
Bij het schrijven heb ik daar nooit aan gedacht, maar het zat natuurlijk wel ergens onbewust in mijn achterhoofd.
En intussen is Flodder ook al weer gekopieerd zonder mij iets te vragen. In Zuid Amerika (Los Reyes, Los Roldan, Los Sanchez), Frankrijk (Les Tuche) en Italië (Poveri ma Ricchi).
Plagiaat? Natuurlijk, maar laten we het maar als een compliment beschouwen.



= = = =
 
 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 30 mei 2018

donderdag 17 mei 2018

Jubelberichten

Wat verdienen regisseurs? Wat verdienen scenaristen?
Wie verdient er aan een bioscoopfilm?

Toen ik jaren geleden voor mijn film Moordwijven op zoek was naar een groot plezierjacht, kwam ik terecht bij een van de grootste jachten in Europa, en hij was ook nog eens afgemeerd in een Nederlandse haven.
Ik parkeerde naast een Maybach - een wagen van rond de half miljoen - en kreeg een rondleiding van de booteigenaar, een bioscoopexploitant. De Maybach was ook van hem.
Het bevestigde mijn vermoeden dat bioscoopexploitanten de meest vermogende schakels in de distributieketen zijn. Ik ken alleen maar welgestelde exploitanten.
Distributeurs zijn een goede tweede. Ik ken er een die er een verzameling Rolls-Royces op na houdt.
Producenten hebben het al een stuk minder makkelijk, om maar helemaal te zwijgen over regisseurs en scenaristen. Die zitten helemaal onderaan de voedselketen.

Niemand maakt me wijs dat exploitanten het zo slecht hebben. Toch dragen ze dat met verve uit en wisten onlangs een btw-convenant te bewerkstelligen waarin werd afgesproken dat ze geen 21 procent maar slechts 6 procent btw hoefden te betalen over een bioscoopkaartje.
Dat levert hen een voordeeltje van 30 miljoen op. Vijf daarvan worden in een pot (het Abraham Tuschinski Fonds) gestopt en toegewezen aan Nederlandse filmprojecten. De rest verdwijnt voor een groot deel in de zakken van de - meest buitenlandse - aandeelhouders van de bioscoopconcerns.
Het convenant - dat verdacht geruisloos in april werd gesloten - is geheel zonder inbreng van makers tot stand gekomen.
Ik denk dat die veel liever hadden gezien dat de btw weer naar 21 procent was gegaan. En dat de 30 miljoen die dan in de schatkist komt, direct bij regisseurs en scenarioschrijvers terecht komt zodat die tenminste weer eens wat films kunnen maken.

Niet alleen door het btw-convenant, maar ook via de - door het Filmfonds zelf bejubelde ‘Film Production Incentive’-regeling verdwijnen er miljoenen - via films als Dunkirk en The Hitman’s Bodyguard - naar het buitenland. Miljoenen die we ook niet meer terugzien.
De enigen die hiervan profiteren zijn de Nederlandse co-producenten die ingeschakeld worden om het geld binnen te harken en facilitaire bedrijven, hotels, en wat crew in assisterende functies.
Het zijn eigenlijk economische maatregelen die weinig helpen om de Nederlandse filmcultuur naar een hoger plan te brengen.
Nederlandse regisseurs en scenaristen hebben er al helemaal geen voordeel van.

In tegenstelling tot alle jubelberichten die het Filmfonds de laatste tijd naar buiten brengt over de Nederlandse filmsituatie, lijkt er mij weinig reden om te juichen.
Dat in 2016 het gemiddelde filmbudget van een Nederlandse speelfilm het laagst van Europa was, lijkt me eerder een nieuwsfeit om in de media ruim onder de aandacht te brengen.


= = = =
 
 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 16 mei 2018

donderdag 3 mei 2018

Mister Lul M’n Reet

‘What’s your name?’
‘Huub Stapel.’
‘Say it again?’
‘Huub Sta-pel.’
‘Staple? Never mind, we’ll change that.’

Huub en ik waren naar Cannes gekomen met een in allerijl ondertitelde kopie van De Lift.
De Amerikaanse producent Herman Cohen - bekend van I was a Teenage Werewolf - voorspelde Huub, na het zien van de film, een grote toekomst in Amerika, maar hij moest wel iets aan zijn naam doen. Die raad heeft Huub nooit opgevolgd. Over mijn naam hoorde ik hem niet. En van Herman Cohen hebben we verder ook niets gehoord.

De belangstelling voor De Lift was groot en toen de film dat weekend alle records in Nederland verbrak, werden er op de Marché in Cannes extra voorstellingen ingelast en ontstond er een bidding-war voor de wereldrechten die uiteindelijk door Warner Brothers gewonnen werd.
Het was ook meteen mijn laatste keer in Cannes.
Ik heb nooit begrepen wat de aantrekkingskracht van het festival was. In de tijd dat de Franse film nog wat voorstelde kon het zich nog enig prestige aanmeten, maar meer dan een jaarlijkse markt en ontmoetingsplaats om wat te netwerken en een welkom excuus voor buitenlandse filmmakers, sterren en aanverwanten om in het zonnetje te worden gezet is het tegenwoordig niet meer.
En mocht je film onverhoopt uitverkoren worden door de tamelijk chauvinistische organisatie voor een van de hoofd- of bijprogramma’s dan is het nog de vraag of je daar blij mee moet zijn.  Zelfs als Gouden Palm winnaar heb je geen zekerheid dat je naam goed geschreven wordt of zelfs langer dan voor de duur van het festival onthouden wordt.

Dat Amerikanen moeite hadden met mijn naam heb ik regelmatig gemerkt.
Sommigen stonden er op mij Richard te noemen. Ze keken dan altijd wat besmuikt als ik ze erop wees dat mijn naam Dick was, en dus graag zo genoemd wilde worden.
Mijn achternaam was ook vaak een dingetje. Die werd geregeld geschreven als Mass. Maar ja, dat krijg je met Amerikanen die denken dat ik een regisseur uit Denemarken ben.
Menigeen dacht dat mijn naam een pseudoniem was van een porno regisseur.
Dat mijn film Down in Amerika onder de titel The Shaft werd uitgebracht, hielp natuurlijk ook niet echt.
Het probleem met mijn voornaam begreep ik wel, maar dat mijn achternaam bepaalde liederlijke associaties opriep, daar kwam ik pas jaren later achter.
Inderdaad is Dick in Amerika een ander woord voor lul. En Maas kan een verbastering zijn van My Ass. Dus met een beetje slechte wil kan je mijn naam lezen als Lul m’n Reet.

En met zo’n naam kom je natuurlijk nooit in het hoofdprogramma van Cannes.

= = = =

 

 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 2 mei 2018
onder de titel 'Moeilijke naam'

donderdag 26 april 2018

MODDERGOOIEN

Probeer je als zzp’er nog wat bij te beunen door columns voor het Parool te schrijven, gaat de vrouw van de adjunct directeur van het Nederlands Filmfonds via Twitter even met modder gooien.
Waar haar aversie tegen mij vandaan komt kan ik slechts vermoeden, maar dat haar echtgenoot, George van Breemen, haar kennelijk niet heeft behoed voor dit verkeerde media optreden - had ik al gezegd dat de vrouw in kwestie zelf mediatraining geeft? - is eigenlijk nog vreemder.
Het Filmfonds en zeker de adjunct directeur dient toch de schijn van onpartijdigheid op te houden, ook al weten we dat dat lastig is.

Eigenlijk had ik het helemaal niet over het Filmfonds willen hebben. Ik had Het Parool beloofd dat ik voornamelijk op een positieve wijze het wel en wee van de Nederlandse film zou belichten, maar nood breekt wetten.

Het is helaas nu eenmaal zo dat de Nederlandse Film in een diep dal zit en dat het Filmfonds daar een van de belangrijkste oorzaken van is. In ieder geval hebben ze de macht om veranderingen te bewerkstelligen maar ontbreekt de wil en misschien ook wel de kunde om dat te doen.
Maar de zaken liggen ingewikkeld en een column is te kort om op een genuanceerde manier de koe bij de horens te vatten.

En waar zou ik het over moeten hebben?
Over dat het Filmfonds vrijwel al mijn projecten heeft afgewezen, waardoor ik op het moment geen film meer in productie heb?
Over de bureaucratische rijstebrijberg die er wacht als je een subsidie aanvraagt?
Over de inhoudelijke bemoeizucht die elke creativiteit doodt?
Dat elke producent door het fonds gezien wordt als een potentiële oplichter die er alleen maar op uit is om misbruik van de regelingen te maken?
Dat al die regelingen vooral ten gunste van de producent zijn en niet van de makers: de regisseur en de scenarioschrijver?
Dat een collega producent vanwege te veel kritiek op een zwarte lijst is geplaatst en nu nooit meer mag aanvragen?

Op 7 juni vindt er in het Ketelhuis weer het Voorjaarsoverleg plaats, de jaarlijkse debat- en bezinningsavond over brandende kwesties in de vaderlandse filmwereld. Ik hoop dat er dan spijkers met koppen geslagen worden en dat er niet - zoals in het afgelopen Najaarsoverleg in december - eindeloos gediscussieerd wordt over de bouwplannen van een aantal bioscoopconcerns.
Het kan beter gaan over een eerlijker verdeling van de inkomsten aan de bioscoopkassa, zodat er niet alleen meer bioscopen bijgebouwd kunnen worden maar waardoor makers ook kunnen profiteren van het groeiende bioscoopbezoek en de stijgende recettes.
En dat ze zich weer kunnen concentreren op hun eigenlijke werk: films maken. 

= = = =
 
 deze column verscheen ook in Het Parool van woensdag 25 april 2018

donderdag 19 april 2018

WETENSCHAPPELIJKE KEIHARDE PORNO

Na alle recente #Metoo verhalen over erotisch douchen en al dan niet vrijwillige vrijages tussen docenten en leerlingen op toneelscholen, lijkt de Filmacademie in de jaren dat ik erop zat een oase van eerzaamheid.
Je zou verwachten dat in de tijd van losbandigheid en seksuele vrijheid - in de zestiger jaren bevochten en in de zeventiger jaren in praktijk gebracht - er iets van had moeten doorsijpelen naar de Filmacademie - maar bij mijn weten speelden de erotische uitspattingen zich toch doorgaans af tussen de leerlingen onderling en meestal buiten de muren van het gebouw aan de Overtoom.

Oké, die ene leerlinge die een verhouding kreeg met een van de vaste docenten was natuurlijk opgevallen, maar dat vond niemand vreemd en eigenlijk waren we ook wel blij dat de bewuste docent, die tot dan toe het grootste deel van zijn vrije tijd in een nabijgelegen kroeg doorbracht, het geluk had gevonden en in minder alcoholisch vaarwater was terecht gekomen.

Maar verder is me nooit iets opgevallen wat niet door de beugel kon, en dat valt me dan weer tegen van mezelf want als aankomend filmmaker moet je toch oog hebben voor onmogelijke liefdes, stiekeme affaires en ongepaste avances.
Maar ik was natuurlijk te druk bezig om een beroemd regisseur te worden en dan moet je je prioriteiten stellen.

Het enige grensoverschrijdende gedrag dat ik meegemaakt heb was een amanuensis die me uitkafferde omdat het stencilapparaat niet was schoongemaakt.
En ik herinner me nu ook een scheldende secretaresse die totaal overspannen reageerde op een normale vraag (‘Zullen we straks iets gaan drinken?’). Maar misschien had die intussen wel iets grensoverschrijdends meegemaakt en was ik net de druppel die haar emmer deed overlopen.

Niet grensoverschrijdend maar wel heel raar was de les die Willem de Vogel - destijds directeur bij de Stichting Film en Wetenschap in Utrecht - op een gegeven moment meende te moeten geven.
De les bestond uit het vertonen van keiharde porno uit zijn eigen 8 millimeter collectie. Het mannelijke deel van de leerlingen zag dit als een welkome wake-up call. Het vrouwelijke deel was minder enthousiast over de filmcollectie van Willem.
Ik begreep later dat hij dit wel vaker deed. Hij zal er ongetwijfeld een wetenschappelijk draai aan gegeven hebben, maar die is mij even ontgaan tussen alle bezwete en met elkaar overhoop liggende lichaamsdelen.

Zelf ging hij tijdens de vertoning achter in de klas zitten. Ik heb me niet durven omdraaien om te zien wat hij daar deed. Als ik het wel had gedaan was dit stukje misschien een stuk smeuïger geworden.


= = = = 
deze column verscheen ook in Het Parool op woensdag 18 april 2018